In het Paasbos liggen een paar waterpartijen. In koude winters wordt er op geschaatst, soms zie je er een hengelaar. Vroeger heb ik er met mijn oudste zoon wel eens op gevaren met een opblaasboot.

De langwerpigste en grootste waterpartij, die min of meer parallel aan de Valkenhof loopt,  stak ik jarenlang elke dag over als ik van huis naar mijn werk liep en terug. Het was in de tijd dat ik leerkracht was op de Regenboogschool, die toen op de Paulus Potterhof stond. Ik woonde, met mijn geliefde vrouw Jetty en onze kinderen aan de andere kant van het water, op de Lepelaarshof.  Aangezien mijn huis en de school minder dan een kilometer van elkaar stonden kon ik lopend naar mijn werk. Wat een luxe!

Op de foto staat de brug die ik altijd gebruikte om aan de overkant van het water te komen. Zoals op de foto te zien is hebben we het hier over een hardhouten brug die bij nat weer akelig glad kan worden. Om valpartijen zo veel mogelijk te voorkomen heeft men op het loopgedeelte van de brug een ruwe laag aangebracht. In de tijd waar ik het nu over heb, ongeveer vijfentwintig jaar geleden, was die laag er nog niet.

Ik wil vertellen over een gebeurtenis die sindsdien in mijn geheugen gegrift staat. Een precieze datum van het voorval weet ik niet meer maar het moet in november of december geweest zijn, de periode tussen de herfstvakantie en de jaarwisseling; de maanden waarin de dagen zo kort waren dat ik in het donker van huis ging en ook in het donker pas weer terug kwam.

Het was zo’n dag waarop het maar niet droog werd. Onophoudelijke druilregens die bij opstekende windvlagen overgingen in stevige buien met hele lange druppels, pijpenstelen. Eigenlijk was het een dag om in bed te blijven, maar dat kon natuurlijk niet want op de Regenboogschool wachtte een groep kinderen op mij, leergierig en met veel zin in de fijne, sfeervolle decembermaand met Sinterklaas en kerst.

Diep in mijn kraag gedoken haastte ik me in de richting van de brug. Omdat ik weinig behoefte had aan een uitglijder vertraagde ik mijn pas, stak de brug over om eenmaal aan de overkant weer met flinke vaart mijn voetreis voort te zetten. Druipnat kwam ik op school aan maar dat was snel vergeten want een behaaglijke warmte kwam me tegemoet. Collega’s liepen bedrijvig heen en weer en er waren zelfs ook al enkele kinderen die bij dit weer al voor de bel de school in mochten. Jassen en ook een paar broeken werden te drogen gehangen. De kinderen liepen op sokken of pantoffels rond. Overal lichtjes. De school ademde sfeer en gezelligheid.

De hele dag door bleef het hemelwater stromen en dat zorgde voor een wonderlijke intimiteit in de klas. Op sommige momenten deed ik het TL licht uit.  De kinderen mochten hun werk dan doen in het zachtgele licht van de talloze kerstlampjes. Terwijl zware wolken over de school trokken, de ramen geselend met hun striemende regenwater voelde iedereen in het klaslokaal: ‘Hier zitten we veilig en droog’.  Ook de middag bracht geen verandering. Veel kinderen gingen tussen de middag niet naar huis maar ‘bleven over’. De hele dag werd het niet echt licht, en elke keer als de regen iets leek af te nemen werden nieuwe zware wolken aangevoerd met een verse voorraad kille neerslag. Halverwege de middag begon er ten overvloede ook wat natte sneeuw te vallen. Toen om kwart over drie de schoolbel ging had niemand had erg veel zin door dit weer naar huis te gaan, liever zouden de kinderen, en ook de meesters en juffen, zich blijven koesteren in de beschermende armen van de school.

Toch zat er weinig anders op dan de barre omstandigheden maar weer te gaan trotseren. Ik had mijn vertrek nog wat uitgesteld, er lagen nog allerlei klussen. Ook collega’s hadden nog van alles te doen, maar gaandeweg vatten ze toch moed en trokken huiswaarts. Eén voor één doofden de lampjes in de school. Behalve ik was alleen Juf Gerry er nog. Met mijn jas helemaal dichtgeritst zei ik haar gedag, liep het gebouw uit en stak het verzopen schoolplein over in de richting van het pad dat me thuis zou moeten brengen.

De wind was nog altijd nat en guur zodat ik mijn schouders hoog optrok. Zo hoog dat ze bijna mijn oren raakten. Ik keek niet op of om en gelukkig hoefde dat ook niet, deze weg kon ik wel dromen.

Toen ik ongeveer tien meter voor het bruggetje was hoorde ik een vreemd geluid. Ik keek op en stond verstijfd van verbazing: aan de overkant van de brug kwam een groot zwart paard aangelopen! Ik wist niet wat ik zag en een fractie van een seconde vroeg ik me zelfs af of ik droomde. Ik keek meteen of er iemand bij het paard in de buurt was, maar nee, het dier liep helemaal alleen. Ook zag ik dat het geen zadel ophad en geen leidsels droeg. Was het ergens ontsnapt, hoe kwam het hier? Het dier glansde van de nattigheid maar trok zich zo te zien niets van de regen aan. Koninklijk en trots liep het stapvoets maar wel in een stevig tempo in mijn richting de brug op.

Ik kon niets anders bedenken dan stil blijven staan en kijken hoe het machtige dier het midden van de brug bereikte. De hoeven klopten op het hout en toen gebeurde het. Het paard gleed uit! Het maakte een enorme schuiver en smakte met een zware, massieve klap op de brug. Ik stond al aan de grond genageld vanaf het moment dat ik het paard zag aanlopen, maar nu versteende ook mijn binnenkant.  Het paard was in een verschrikkelijke houding terechtgekomen, bijna durfde ik niet te kijken. Het linker voor- en achterbeen staken naar links onder de brugleuning door en de rechterbenen aan de rechterkant. Het paard was van het ene moment op het andere veranderd van een indrukwekkend vorstelijk schepsel in een zielige vleesklomp. Het beest was machteloos, het kon uit deze positie niet opstaan. Wild schudde het met het hoofd en brulde het uit van pijn, een geluid dat me door merg en been ging. Paniekerig keek ik om me heen, me afvragend wat ik kon doen. Zou ik teruglopen naar school en daar om hulp gaan bellen ( een mobiele telefoon had ik toen nog lang niet) of aanbellen  bij één van de huizen hier?

Die besluiteloze seconden werden afgebroken door het laatste wat ik verwachtte. Er klonk een gerommel in de lucht, een donkere dreun zoals van een onweersbui. In een oogwenk dacht ik dat die dreun gevolgd werd door een bliksemflits die insloeg in het paard! Maar nee, het was iets anders, die flits was geen bliksem. Daarvoor ging het allemaal net te langzaam. Maar als het geen electrische schicht was, wat was het dan? De beste omschrijving die ik kan geven is: het was een arm. Een reusachtige arm die vanuit de grimmige wolken omlaag kwam en het paard raakte. Het ging allemaal zo snel, het zicht was slecht en ik was overrompeld door schrik, maar toch zag ik precies wat er gebeurde: de arm, met daaraan een hand, hing boven het paard en de hand, die heel groot was, omvatte de romp van het dier, tilde het op en zette het behoedzaam neer op alle vier de hoeven.

Het paard schudde nog eens wild met het hoofd waarbij de natte manen heen en weer vlogen en vervolgde toen, alsof er niets gebeurd was, zijn edele gang. Het stapte fier de brug af, liep vlak langs me heen en verdween achter mij uit het zicht! Een paar tellen later ontdooide ik en ging de brug op. Toen ik midden op was bleef ik staan en keek of ik nog kon zien waar het paard onderuit was gegaan, misschien omdat ik me afvroeg  of het allemaal echt gebeurd was. Maar dat was het zeker. De glijdende paardenhoeven hadden krassen in het hout achtergelaten.

Met een hoofd waarin allerlei gedachten over elkaar heen rolden liep ik het laatste stuk naar huis waar men mijn verhaal vol verbazing aanhoorde.

En zo veranderde een kletsnatte dag in het Paasbos in een onvergetelijke gebeurtenis.

Bert Jurling

Share This